E-mail updates
|
07 april 2011
Posted in
De Roman -
Hoofdstuk 3
John had geen idee waar hij nu heen moest. Hij wilde niet naar huis, niet geconfronteerd worden met een leeg huis, een leeg leven. Hij had geen behoefte aan mensen, niet alleen omdat hij de kracht en energie niet had om het nieuws over Mary’s overlijden te brengen, maar ook omdat hij geen ruimte in z’n hart had voor enig ander verdriet dan het zijne. Daarnaast was er nog het probleem dat Mary vriend noch familie had verteld over haar ziekte. Het was echt niet haar bedoeling geweest om het geheim te houden, maar ze wist simpelweg niet hoe ze het nieuws moest brengen: “Hé hoe gaat het met je? Goed? Top! Wie ik? Oh ik heb kanker en ga dood, maar laten we het over jou hebben!” was een strategie die in haar hoofd niet zo goed werkte. Ze was daarom nog steeds op zoek naar een goede manier om het gesprek te beginnen, niet wetende dat het uiteindelijk haar eigen dood zou zijn die het voor haar zou doen.
John was geen lafaard, hij was niet bang voor hun vrienden en familie, maar hij wilde de confrontatie simpelweg niet aan, niet deze ochtend. Dus zonder een gevoel van bestemming, besloot hij te gaan waar zijn benen hem brachten. Tegen die tijd was het al 11.30, een zeer zonnige maandagochtend. De zonnigheid van de dag voelde voor John aan als een messteek, want voor hem was vandaag alles behalve zonnig. Dat was iets dat hem altijd had beziggehouden; het feit dat mensen in dezelfde stad, dezelfde straat kunnen wonen, maar tegelijkertijd in een heel ander universum. Er speelden kinderen in het park, mensen hielden een picknick, er waren lachende mensen op rolschaatsen, op de fiets, of aan het joggen..
Overal om hem heen zag John blijdschap van mensen die genoten van een prachtige dag, terwijl John de meest duistere dag van zijn leven beleefde. Één park, twee universums. En hoewel John het plezier van anderen in het park niet wilde vergallen, wilde hij stiekem en zelfzuchtig dat de hemel grijs zou kleuren en dat het zou beginnen te regenen. Hij wilde dat de wereld zijn gevoel weerspiegelde. De wereld had vandaag grauw en verdrietig moeten zijn, niet vrolijk en zonnig alsof moeder natuur negeerde wat er vandaag was gebeurd, wat hem vandaag was ontnomen. Heel even keek hij naar boven, verwachtte hij daadwerkelijk dat er iets zou gebeuren; alsof God hem dat verplicht was en dat hij op het punt stond zijn wens te vervullen. Uiteraard gebeurde er niets.
John bleef lopen, langs het park waar hij en Mary zo vaak hadden gepicknickt, langs het meer waar ze tenminste eens per maand hadden gevist. Mary hield niet van vissen, totaal niet. Ze vond het een verkeerd idee om een nietsvermoedende vis te lokken door hem iets lekkers voor te houden en dan een grote metalen haak door zijn of haar lichaam te trekken, om het dier vervolgens weer terug te gooien in het water. Ze begreep de lol van visspietsen echt niet, maar ze vond het heerlijk om in hun kleine bootje te zitten, een boek te lezen, luisterend naar niets anders dan het geluid van water dat tegen de rand van de boot sloeg en het geluid van omslaande pagina’s. Ze zaten soms wel uren op het meer, in volledige stilte. Sommige mensen zouden dat wellicht saai vinden, maar voor John en Mary was het de hemel. John liep langs de bioscoop die ze vaak hadden bezocht, langs een aantal restaurants waar ze hadden gegeten. Plotseling ontdekte hij hoeveel van zijn universum bestond uit Mary.
Het leek alsof alles met haar was verbonden. Niet alleen de grote dingen, maar ook de kleine, schijnbaar onbelangrijke dingen, zoals een vuilnisbak, waarvan hij plotseling voor zich zag hoe Mary er een papiertje van een waterijsje in gooide. Het leek alsof iedere centimeter van de stad op de een of andere manier door Mary was aangeraakt, alsof ze overal was. En toch bleef de wereld draaien alsof zij haar nooit nodig had gehad, alsof ze nooit had bestaan. Maar John had haar nodig, nu meer dan ooit. Hij was niet de eerste persoon in zijn familie die een vrouw verloor, maar voor het eerst realiseerde hij zich dat één van de redenen dat het zo lastig is om te verwerken, is dat je uitgerekend de persoon verliest die je zou moeten troosten als je iemand verliest. Verloren in gedachten, realiseerde John zich dat hij het oude gedeelte van de stad al had bereikt.
Op het moment dat hij het besluit had genomen om te keren, viel John iets op in zijn ooghoeken. Hij draaide zijn hoofd, en daar was het, de plek waar hij Mary voor het eerst ontmoette. Het was een kleine bloemenwinkel, genaamd Flower Power, een naam die John altijd briljant eenvoudig had gevonden. Het zag ernaar uit dat de naam het enige was dat nog over was van de bijzondere locatie. Een raam was kapot en dichtgetimmerd met een houten plank en er waren wat letters van het naambordje afgevallen, met als gevolg dat de enige leesbare naam nu Flor Poer was, iets dat John op iedere andere dag dan vandaag grappig had gevonden. Hij vond het nu allesbehalve grappig, in tegendeel, het was simpelweg het zoveelste symbool voor de vergankelijkheid van het leven en voor John’s overtuiging dat uiteindelijk alles waarvan je houdt, van je wordt afgenomen. John wilde deze plek zo snel mogelijk verlaten, maar het was alsof hij aan de grond genageld stond. Hij kon simpelweg fysiek niet weglopen.
Hij bleef staren naar het oude gebouw dat hem deed herinneren aan betere tijden, en wenste vurig dat hij naar die tijd kon terugreizen. Terwijl zijn geest afdwaalde in een oceaan van nostalgie, viel hem plotseling iets op. Er leek een klein licht te branden in de bloemenwinkel, net fel genoeg om door het vieze raam te schijnen dat nog niet gebroken was. John knipperde een paar keer met zijn ogen, maar het licht ging niet meer weg. Integendeel, het werd alleen maar krachtiger. Voorzichtig liep John richting de winkel en staarde naar een klein verlicht raam in een gedeelte van de stad dat voornamelijk verlaten was. ‘Gaan ze opnieuw open’? Is het een soort schuilplaats voor criminelen? Wordt het verkocht? Verschillende scenario’s spookten door het hoofd van John en hij besloot dat hij op onderzoek wilde.
Tot zijn verbazing was de deur niet op slot, hij was zelfs niet eens dicht. De deur stond half open alsof iemand hem verwachtte. Voorzichtig duwde hij tegen de oude, zware deur, die langzaam en moeizaam openging, met een krakend geluid dat het, gezien de omgeving, prima had gedaan in een horrorfilm. Het maakte John niet bang, hij leek het zelfs niet eens te merken. Het enige waar hij aandacht aan besteedde was het gloeiende licht achterin de lege winkel. Langzaam liep hij naar het licht, terwijl z’n schoenen in combinatie met het gebroken glas de ruimte vulde met onheilspellend geluid. “Hallo?” Echode de stem van John. “Hallo, is er iemand?” Stilte…
.







