E-mail updates
|
21 juli 2011
Posted in
De Roman -
Hoofdstuk 8
Het kon natuurlijk toeval zijn, er waren ontelbare mensen die van en naar de supermarkt liepen, maar deze man, de man met de koffer liep niet zomaar wat rond. Hij liep in een rechte lijn en die rechte lijn koerste recht op Mary af. Mary, die overduidelijk probeerde om de man te ontwijken. John wist niet goed wat te doen. Was Mary in gevaar? Deze man wilde iets van Mary, dat was duidelijk, en aan zijn gezichtsuitdrukking te zien kwam hij niet alleen moppen tappen. Maar wat als hij gevaarlijk was? John kon niet veel doen, aangezien hij de man niet kon aanraken, oftewel, hij kon hem niet stoppen als hij Mary iets aan wilde doen.
Het was de tweede keer in zeer korte tijd dat John zich realiseerde dat hij slechts een toeschouwer was en dat hij niets anders zou kunnen doen dan toekijken wanneer Mary iets zou overkomen. De rillingen liepen over zijn rug als hij er aan dacht, want in zijn gedachten zag hij natuurlijk het ergste van het ergste gebeuren, net zoals hij Tucker in z’n gedachten had bestempeld als seriemoordenaar die hem kwam vermoorden. Het grappige aan dit alles was dat, nu John er nog eens over nadacht, dat precies was wat Tucker had gedaan, maar dan op een geheel andere manier. “Mevrouw McKenzie” schreeuwde de man in de richting van Mary. “Mevrouw McKenzie, kan ik even met u praten?”.
Het was duidelijk dat deze man Mary kende, hij wist haar naam, tenminste, haar achternaam. Hoewel dat John een beetje minder bezorgd maakte over het mogelijke gevaar waarin Mary verkeerde, maakte het nog steeds niet duidelijk waarom Mary hem probeerde te ontwijken. Want dat was overduidelijk wat ze deed. Ze liep met grote passen over de parkeerplaats en manoeuvreerde zichzelf tussen de auto’s. Uiteraard trachtte ze het subtiel te doen, dus Mary deed alsof ze niet hoorde dat de man haar riep. “Mevrouw McKenzie!” zei hij nogmaals. Mary passeerde nog een paar auto’s en keek niet op of om. John bleef haar volgen en liep ook zorgvuldig om de auto’s heen, omdat hij wederom niet wist welke auto’s bestonden in zijn wereld en welke alleen in die van Mary. Hij had inmiddels besloten dat het maar beter was om alles als ‘echt’ en bestaand te beschouwen, aangezien hij zichzelf liever voor gek zetten door om voorwerpen heen te lopen die niet bestonden dan dat hij zichzelf bezeerde zoals met de stoel.
“Mevrouw. McKenzie”, herhaalde de man nog eens, die duidelijk niet snel opgaf. “U moet het uiteindelijk onder ogen zien. U kunt niet blijven wegrennen!” Mary deelde die mening blijkbaar niet, want ze vermeed de man nog steeds, ontkende zijn bestaan volledig. John wist niet goed wat hij hiervan moet denken. Het was hem duidelijk dat Mary in de problemen zat, maar wat voor problemen en waarom? Mary was nu eenmaal niet het soort mens dat door haar eigen toedoen in de problemen raakte. Ze had nog nooit de wet overtreden, ze raakte niet betrokken bij ruzies, alleen bij discussies. Ze respecteerde alles en iedereen. Maar toch was er iets voorgevallen. Wat echter nog vreemder was, was dat ze het probleem uit de weg leek te gaan, haar uiterste best deed om niet onder ogen te hoeven zien wat ze onder ogen moest zien en dat was ook iets dat totaal niet bij Mary paste. Langzaam maar zeker begon John zich te realiseren dat er misschien nog wel veel meer was wat hij niet wist over Mary, of ten minste, deze versie van haar. Immers, los van bepaalde karaktertrekjes die typisch Mary waren, waren er ook veel dingen aan haar die niet klopten, dingen die niet waren zoals ze moesten zijn.
Ook vroeg John zich wederom af wat het nut van dit alles was. Als Tucker, of het lot wat dat betreft, Mary terug in zijn leven had gebracht om hem een les te leren, waarom moest hij dan aanzien hoe ze in de problemen zat? John begon zich af te vragen of deze glimp van gerechtigheid die hem werd getoond wellicht veel langer zou duren dan hij had verwacht. Maar zelfs al had John geen idee wat Mary had gedaan, waarom ze in de problemen zat en achterna gezeten werd door een zakelijk type, hij vond dat hij haar moest beschermen, zelfs al wist hij dat hij dat helemaal niet kon.
John stopte met lopen, en draaide zich om naar de man die zijn vrouw achtervolgde. Hij wist niet goed wat hij van plan was te doen, maar hij liep op de man af steeds sneller. Naarmate hij hem naderde, sloot hij zijn ogen, en bereidde zich voor op de klap, een klap die uiteraard nooit zou komen, want de man liep dwars door hem een. Echter, of het nu voslagen toeval was of een daadwerkelijk gevolg van wat hij had gedaan wist John niet, maar er gebeurde iets. De man liep niet langer o Mary af. John liep om hem heen en keek hem recht in het gezicht, op zoek naar iets bekends, of in ieder geval een teken van het feit dat hij zojuist iets vreemds had ervaren, iets vreemds als de geest van John die dwars door hem heen was gegaan. Maar John zag niets, alleen boosheid en irritatie.
Met de koffer nog altijd stevig in z’n rechterhand geklemd, keek de man toe hoe Mary steeds verder van hem weg raakte, zich realiserend dat het geen zin had om haar te achtervolgen als ze niet wilde medewerken. “Dit is nog niet voorbij Mevrouw McKenzie!” schreeuwde hij. John, die de man nog steeds bestudeerde om te zien of hij iets te maken had met het plotseling staken van de achtervolging, wist dat de man waarschijnlijk de waarheid sprak. Maar voorbij of niet, Mary had nu wat meer tijd, of die haar nu was gegund door het lot of door haar overleden man.

Lees verder (volgende gedeelte nog niet vertaald)...
De man bleef Mary lange tijd nakijken, al wist John niet zeker of hij dat deed om haar te intimideren of simpelweg om te zien waar ze heenging, zodat hij haar kon volgen. Het bleek geen van beiden te zijn, aangezien hij zich na een tijdje omdraaide en wegliep. Nadat John er zeker van was dat de man echt was verdwenen, haastte hij zich in de richting van Mary, hij wilde haar immers ni...
Lees meer...






