E-mail updates
|
20 juli 2011
Posted in
De Roman -
Hoofdstuk 8
John had geen idee hoe lang ze de boom al aan het knuffelen waren – ze waren beiden volledig verdwaald in hun gedachten, herinneringen en verlangens – maar het kon niet kort zijn geweest, want de zon was inmiddels volledig doorgebroken, waarmee de begraafplaats op slag een stuk minder treurig werd dan hij in de regen had geleken. Mary liet de boom los, pakte een zakdoek uit haar zak en veegde de tranen van haar gezicht. Haar gezicht lag volledig in de kreukels, maar het huilen en het schreeuwen hadden duidelijk goed gedaan. John zag opluchting in haar ogen.
Naarmate Mary langzaam terugliep naar de uitgang van de begraafplaats, realiseerde John zich wederom dat dit een enorm conflicterende situatie voor hem was. Niet alleen omdat hij had gezworen nooit naar deze plek terug te keren bij leven – iets waarbij hij grote schuldgevoelens had nu hij het gevoel kreeg dat hij Mary hier al die jaren alleen had achtergelaten – maar vooral omdat hij Mary nu achterliet om mee te lopen met….Mary. Zelfs al wist hij dat de gedachte absurd was, had hij het gevoel dat hij Mary bedroog met haar eigen geest. Het was een strijd tussen zijn gezond verstand en zijn gevoel en helaas is dat een strijd die het gevoel vaak wint, hoe logisch het gezond verstand dan ook mag zijn.
Terwijl John Mary volgde naar de uitgang, bedacht hij zich plotseling iets dat hij niet kon uitleggen. Het schoont hem te binnen hoe hij Mary een week eerder had gevolgd, de dag dat ze plotseling weer was opgedoken in z’n leven. Hij keek naar de manier waarop e liep en het viel hem op dat ze dezelfde verdrietige, onverschillige pas liep als vorige week. Maar toch was er iets anders. Een week geleden had Mary iets gemerkt. Op de een of andere manier had ze John’s aanwezigheid opgemerkt. John wist dat dat niet zomaar een gevoel was, want Mary had erop gereageerd. Ze was sneller gaan lopen, zelfs gaan rennen en ze reageerde nerveus alsof ze werd achtervolgd door een crimineel in de nacht.
Maar nu John haar opnieuw volgde, leek ze niets te merken. Heel even was hij geneigd te denken dat haar emoties in de weg stonden van haar zintuigen, ware het niet dat hij een hele week met haar had doorgebracht en aan niets had gemerkt dat haar iets op was gevallen. Het was één van de vele dingen die hij niet begreep van deze vreemde situatie waarin hij zich bevond en één van de vele vragen die hij Tucker zou vragen, zodra deze op dook. Tenminste, als Tucker zich ooit weer zou laten zien, want los van de twee dagen dat hij was opgedoken, had John helemaal niets meer van hem gezien of gehoord. Ook dat was een gedachte die hij maar niet kwijt kon raken. Hoe moest hij dit ooit tot een goed einde brengen en wat was het doel van dit alles.
Hij herinnerde zich de woorden van Tucker. ‘Vandaag toon ik je gerechtigheid’ en hij kon geen andere conclusie trekken dan dat hij hem een soort les werd geleerd. Maar als dat het geval was, waarom was Mary dan nog hier? Hij was zich ten zeerste bewust van het feit dat ze verdrietig was en hij had erg met haar te doen. Waarom dit pijnlijke tafereel dan door laten gaan? John had geen idee en Tucker was niet in de buurt om die vragen te beantwoorden en dus deed John het enige dat hij wist dat hij moest doen. Hij volgde Mary. Hij volgde haar tot buiten de begraafplaats, hij volgde haar door het park, hij volgde haar helemaal naar de supermarkt. Het was niet bepaald de kortste wandeling die hij ooit had gewandeld, en John had dan ook meer genoeg tijd om zijn gedachten af te laten dwalen. Naast de eindeloos terugkerende gedachten als ‘waarom en hoe’ was er nog een andere gedachte die John bleef plagen. ‘Wat als dit helemaal niet echt is? Wat als ik mijn verstand echt aan het verliezen ben? Zou het kunnen dat ik me dit allemaal heb ingebeeld? Tucker? Mary? Ik ben de enige die haar kan zien, wat als mijn hersenen spelletjes met me spelen’.
Maar zelfs al bleef deze gedachte hem achtervolgen, hij weigerde het te geloven, simpelweg omdat hij niet kon geloven dat zijn eigen geest wreed genoeg zou kunnen zijn om Mary in deze staat bij hem terug te brengen, een absurd verhaal te bedenken waarin zij nog in leven was en John niet meer. Toch, hoe graag hij die gedachte van zich af wilde schudden, het lukte hem niet, simpelweg omdat er teveel dingen waren die niet klopten. Dingen als John die op een of andere manier in z’n huis was geraakt terwijl hij zeker wist dat hij z’n sleutels was vergeten, dingen als de deur van de winkel die plotseling van het slot ging, precies toen John dat nodig had. Toch, als het allemaal fantasie was, dan zou John het spel volledig meespelen had hij besloten, simpelweg omdat, als hij dan toch gek moest worden, dan kon hij dat maar beter doen met overtuiging.
John werd plotseling uit denkmodus geschud door Mary, die onverwacht een andere kant op was gelopen. Los van het feit dat John haar bijna had zien afslaan – de gedachte haar uit het oog te verliezen beangstigde hem omdat hij bang was dat het ‘de betovering zou verbreken’ of iets dergelijks – was het ook niet logisch dat ze dat deed, immers, de supermarkt was recht voor haar neus. Misschien, dacht hij, stond er iets in de weg dat hij niet kon zien, dat in haar wereld bestond maar niet in de zijne, maar dat leek niet het geval te zijn. Mary was niet alleen een andere weg ingeslagen, John voelde dat haar stemming ook drastisch was omgeslagen. Ze bezorgd, rusteloos, keek herhaaldelijk over haar schouders en versnelde haar tempo bij iedere stap.
John zocht naar een verklaring en dacht deze te vinden in het feit dat ze hem misschien weer voelde, zoals ze dat een week geleden had gedaan. Maar toen hij een blik wierp in de richting van de supermarkt, zag hij dat er iemand naar haar stond te kijken. Het was een man. John probeerde z’n blik scherp te stellen om te zien of hij de man misschien herkende, maar dat was niet het geval. Het was een middellange man, met een zwart pak en een koffer. Hij leek een vertegenwoordiger te zijn. Hij staarde niet alleen naar Mary, hij kwam nu ook recht op haar aflopen.

Verder...
Het kon natuurlijk toeval zijn, er waren ontelbare mensen die van en naar de supermarkt liepen, maar deze man, de man met de koffer liep niet zomaar wat rond. Hij liep in een rechte lijn en die rechte lijn koerste recht op Mary af. Mary, die overduidelijk probeerde om de man te ontwijken. John wist niet goed wat te doen. Was Mary in gevaar? Deze man wilde iets van Mary, dat was duidel... Lees meer...







